Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

onderzoek Oedang, ’krokodillenbende’, criminele organisatie 11b Opiumwet, witwassen, uitvoer harddrugs, koerier

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/698088-16 (Promis)

Datum uitspraak: 16 mei 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 20, 21, 23, 24, 27 en 28 maart 2017 en 2 mei 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Duker en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. van Gils, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Verdachte wordt er – samengevat – van beschuldigd dat hij

1. in de periode van 10 december 2015 tot en met 18 februari 2016 samen met anderen verschillende soorten harddrugs heeft uitgevoerd naar het buitenland

(artikel 2, onder A, van de Opiumwet);

2. in de periode van 1 januari 2015 tot en met 23 februari 2016 samen met anderen verschillende soorten harddrugs aanwezig heeft gehad en daarin heeft gehandeld

(artikel 2, onder B en C, van de Opiumwet);

3. op 23 februari 2016 samen met anderen harddrugs aanwezig heeft gehad

(artikel 2, onder C, van de Opiumwet);

4. in de periode van 1 januari 2015 tot en met 23 februari 2016 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsdelicten

(artikel 11B van de Opiumwet);

5. op 23 februari 2016 samen met anderen een geldbedrag heeft (schuld)witgewassen

(artikel 420bis/quater, lid 1 aanhef onder a/b van het Wetboek van Strafrecht).

De tenlastelegging is op de zitting van 20 maart 2017 gewijzigd. De tekst van de volledige tenlastelegging na wijziging ter terechtzitting is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

Het strafrechtelijk onderzoek ‘Oedang’ is op 25 november 2015 gestart, naar aanleiding van door het Team Criminele Inlichtingen in april 2015 verstrekte informatie. Volgens deze (start)informatie zouden op het adres [adres 2, nummer 1] te Amsterdam een Hindoestaanse man en vrouw wonen, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zij zouden zich vanuit de woning bezig houden met de handel in verdovende middelen, die zij in de woning bewaarden. Een Hindoestaanse man die gebruik maakt van een oude rode Opel zou er dagelijks drugs halen. [medeverdachte 1] zou de verdovende middelen kopen van een Nederlandse man die op de negende verdieping van de flat [adres 2] woonde.

Uit politieonderzoek is vervolgens gebleken dat met ‘ [medeverdachte 1] ’ kennelijk werd bedoeld: [medeverdachte 1] (hierna te noemen: [medeverdachte 1] ) en dat met ‘ [medeverdachte 2] ’ kennelijk werd bedoeld: [medeverdachte 2] , (hierna te noemen: [medeverdachte 2] ), beiden toen wonende op het adres [adres 2, nummer 1] te Amsterdam.

Met ‘de Nederlandse man’ werd kennelijk bedoeld: [medeverdachte 3] toen wonende op het adres [adres 2, nummer 2] te Amsterdam, gebruik makende van het e-mailadres: [emailadres] (hierna te noemen: [medeverdachte 3] ).

Vanaf 26 november 2015 zijn er technische acties gestart op de telefoonnummers waarvan vermoed werd dat ze in gebruik waren bij [medeverdachte 3] (TA02, TA03 en TA07), [medeverdachte 2] (TA04 en TA05) en [medeverdachte 1] (TA05 en TA06).

Uit de getapte gesprekken ontstond de verdenking dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gebruik maakten van een ‘werktelefoon’ met telefoonnummer [telefoonnummer] (TA05). Dit nummer wordt door een groot aantal afnemers gebeld/ge-sms’t om bestellingen te plaatsen. De telefoon werd vermoedelijk door zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] opgenomen. In de meeste gevallen worden de afnemers doorverwezen naar de koeriers ‘ [naam 1] ’ of ‘ [naam 2] ’ om daar de bestelling te plaatsen. Uit onderzoek is gebleken dat de afnemers de man die de telefoon opnam kenden als ‘ [bijnaam persoon 1] ’ en dat [medeverdachte 1] zo genoemd wordt.

Met ‘ [naam 1] ’ werd blijkens onderzoek kennelijk bedoeld: [medeverdachte 4] , wonende op het adres [adres 2, nummer 3] te Amsterdam (hierna te noemen: [medeverdachte 4] ). ‘ [naam 2] ’ werd vermoed te zijn: [verdachte] , wonende op het adres [adres 1] te Amsterdam, verdachte.

Ook de telefoons van vermoedelijk verdachte (TA08 en TA15) en [medeverdachte 4] (TA09 en TA17) werden getapt.

Na getapte telefoongesprekken van [medeverdachte 3] op 6 december 2015 en 6 januari 2016 (TA03) kwamen in dit onderzoek tevens in beeld: [medeverdachte 5] , (hierna te noemen: [medeverdachte 5] ) en [medeverdachte 6] , (hierna te noemen: [medeverdachte 6] ), beiden wonende op het adres [adres 3] te Amsterdam.

Naast de technische acties zijn er ook observaties verricht, die er uiteindelijk toe hebben geleid dat op 23 februari 2016 doorzoekingen hebben plaatsgevonden.

Daarbij zijn, behalve de hierboven genoemde personen, als verdachten in dit onderzoek aangehouden: [medeverdachte 7] (hierna te noemen: [medeverdachte 7] ), [medeverdachte 8] (hierna te noemen: [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 9] (hierna te noemen: [medeverdachte 9] ).

5 Waardering van het bewijs

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kunnen alle ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard. Van het in feit 3 ten laste gelegde onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ heeft zij vrijspraak gevorderd, omdat verdachte dit feit niet in vereniging maar alleen heeft gepleegd. De officier van justitie heeft haar standpunt ten aanzien van de feiten 1, 2, 4 en 5 als volgt onderbouwd.

5.1.1

Ten aanzien van feit 1

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie op 24 februari 2016, ondersteund door het proces-verbaal ‘Leveringen drugs in België’, waaruit blijkt dat verdachte in de periode van 10 december 2015 tot en met 18 februari 2016 maar liefst 14 keer naar Antwerpen is gereden en 1 keer naar Brussel, kan bewezen worden verklaard dat verdachte in deze periode verschillende soorten harddrugs buiten Nederland heeft gebracht.

5.1.2

Ten aanzien van feit 2 en feit 4

Verdachte heeft bekend in harddrugs te hebben gehandeld. Zijn verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de verklaringen van een groot aantal kopers. Uit de verklaringen van de kopers [persoon 1] en [persoon 2] blijkt dat ook de tenlastegelegde periode bewezen kan worden. Ook uit verschillende tapgesprekken blijkt dat verdachte betrokken was bij de drugsleveringen. Daarnaast is op 10 december 2015 tijdens een observatie een levering door verdachte op de Nassaukade in Amsterdam vastgelegd.

Het samenwerkingsverband tussen de betrokkenen dat gericht was op drugshandel was duurzaam en gestructureerd, zodat gesproken kan worden van een criminele organisatie.

De rol van verdachte als koerier bestond uit het afleveren van de harddrugs bij de kopers. Hij kreeg hiervoor dan een deel van de opbrengst.

Ook kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had op deelname aan de criminele organisatie. De verklaring van verdachte, dat hij er ingerold was omdat hij de organisatie wilde ontmantelen en blootleggen, is niet aannemelijk aangezien van zo’n motivatie niet is gebleken uit het dossier.

5.1.3

Ten aanzien van feit 5, eerste en tweede cumulatief/alternatief

Verdachte heeft verklaard dat het bij hem aangetroffen geld deels drugsgeld is en deels, te weten een bedrag van € 2.500,-, legaal spaargeld betreft. Nu hij volgens zijn eigen verklaring elke week zo’n € 300,- tot € 500,- ontving voor zijn diensten en in totaal ongeveer € 6.000,- verdiend heeft, is het echter aannemelijk dat al het geld dat bij verdachte is aangetroffen van drugshandel afkomstig is. Dit wordt ondersteund door de gegevens van de Belastingdienst omtrent de omvang van het door verdachte legaal genoten inkomen.

Bewezen kan worden dat verdachte zich aan de sub b variant van artikel 420bis, lid 1 Sr heeft schuldig gemaakt, te weten het voorhanden hebben van geld uit misdrijf afkomstig.

Er is ten aanzien van het geld dat onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf van verdachte (drugshandel) geen sprake geweest van een extra verhullingshandeling. Dat neemt niet weg dat het feit wel bewezen kan worden. Dit kan echter niet als witwassen worden gekwalificeerd, hetgeen niet tot een vrijspraak dient te leiden, maar tot een ontslag van alle rechtsvervolging.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1, 4 en 5. Wat betreft feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat het hoogstens kan gaan om een periode van ongeveer vier maanden met betrekkelijk geringe frequentie. Tevens heeft de raadsman zich gerefereerd ten aanzien van feit 3. Hij heeft zijn standpunt ten aanzien van de feiten 1, 2, 4 en 5 als volgt onderbouwd.

5.2.1

Ten aanzien van feit 1

Door de verdediging wordt betwist dat verdachte heeft bekend te hebben uitgevoerd naar België. Op grond van de verklaring van verdachte bij de politie is niets te zeggen over het aantal keren dat daadwerkelijk door hem is geleverd in Antwerpen en dus zou zijn uitgevoerd naar Antwerpen. In zijn verklaring kan juist een betwisting van de uitvoer worden gezien. Geen van de vermeende afnemers in België is gehoord. Het is niet duidelijk of er is uitgevoerd, laat staan wat er is uitgevoerd. Er zijn onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden om te kunnen concluderen dat daadwerkelijk door verdachte de tenlastegelegde verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht.

5.2.2

Ten aanzien van feit 2 en feit 4

Volgens de verklaring van verdachte bij de politie, moet hij eind oktober 2015 begonnen zijn met het plegen van (een deel van) de tenlastegelegde feiten. De argumenten voor een langere periode voor de feiten 2 en 4 zijn te licht. [medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris aangegeven dat zijn vader, verdachte, sedert 3 à 4 maanden geholpen heeft als koerier. Hun verklaringen worden ook door getuigen ondersteund. Er zijn weliswaar getuigen die het over een langere periode lijken te hebben, maar die verklaringen zijn gebaseerd op herinneringen en gevoelens en daarbij moet de nodige voorzichtigheid betracht worden. Desgewenst kan er wel wettig bewijs gevonden worden waarop een langere periode gebaseerd kan worden, maar de verklaringen die duiden op een langere periode zijn niet als overtuigend aan te merken.

Wat betreft feit 4 dient vrijspraak te volgen nu verdachte geen opzet had op de deelneming aan een criminele organisatie. Zijn intentie was erop gericht zijn zoon te beschermen en om de organisatie te ontmantelen en bloot te leggen. Dat is geen bijdrage maar een afbreuk aan de organisatie. Deze intentie van verdachte blijkt ook uit het gesprek dat hij met zijn zoon zegt te hebben gevoerd en wat door [medeverdachte 1] bevestigd wordt.

5.2.3

Ten aanzien van feit 5, eerste en tweede cumulatief/alternatief

Verdachte heeft verklaard dat van het bij hem thuis aangetroffen geld € 2.500,- legaal spaargeld is en dat de rest, € 3.640,37, drugsgeld is. Er is geen sprake van verbergen en verhullen. Daarom kan het onder het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard. Wel heeft verdachte drugsgeld voorhanden gehad, maar dit kan niet als witwassen gekwalificeerd worden. Of dit moet leiden tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, is voor de verdediging eender.

Voor de herkomst van het deel van het aangetroffen geld dat niet afkomstig is van misdrijf, het bedrag van € 2.500,-, heeft verdachte een verifieerbare verklaring gegeven. Het lag op de weg van het Openbaar Ministerie om die te onderzoeken, maar dat is niet gebeurd. De gegevens van de Belastingdienst kunnen ook een ondersteuning zijn voor de stelling van verdachte, omdat hij gedurende een aantal jaren zeer wel een dergelijk bedrag kan hebben gespaard. Bovendien gaat het niet om zo’n groot bedrag dat het per se van misdrijf afkomstig moet zijn. In een dergelijk geval is het zogenoemde stappenplan in witwaszaken niet aan de orde. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat om vast te stellen dat de koeriers, verdachte en [medeverdachte 4] , harddrugs vanuit Nederland naar België hebben uitgevoerd. Daarbij zijn onder meer de volgende bewijsmiddelen van belang, die in onderling samenhang bezien en in het licht van het gehele dossier, niet anders gelezen kunnen worden dan dat er daadwerkelijk is uitgevoerd naar België en dat het daarbij om harddrugs, te weten in elk geval Crystal Methamfetamine, ging. Uit het dossier blijkt dat Crystal Methamfetamine (Crystal Meth) ook wel wordt aangeduid als ‘T’ of ‘Tina’.

Verdachte heeft op 24 februari 2016 bij de politie verklaard dat hij een percentage van 15 procent kreeg van de verkoop van de drugs in Amsterdam en dat hij voor het rijden naar Antwerpen 150 euro kreeg en voor een rit naar Brussel 200 euro. Eerder in zijn verklaring noemde hij de verschillende benamingen van de soorten harddrugs die klanten bestelden. Ook vertelt hij dat de andere koerier “ [naam 1] ” heet en dat hij bij ‘ [bijnaam persoon 1] ’ thuis werd uitbetaald.

Deze verklaring kan volgens de rechtbank niet anders gelezen worden dan dat verdachte hierin aangeeft ook drugs naar België te hebben vervoerd, mede bezien in de context van het gehele dossier en de overige feiten.

Verdachte heeft voorts verklaard sommige kopers bij naam te kennen, waaronder [persoon 3] . Blijkens de tapgesprekken is [persoon 3] een vaste koper van harddrugs uit Antwerpen. Uit de peilbakengegevens van de auto van verdachte is gebleken dat hij in de tenlastegelegde periode vaak naar België heeft gereden, waarbij vastgesteld kan worden dat de tijdstippen waarop en de locaties waar zijn auto werd uitgepeild, meerdere keren overeenkwamen met uit de taps gebleken druggerelateerde afspraken en de aldaar genoemde adressen. Ook ten aanzien van [medeverdachte 4] bevat het dossier tapgesprekken waaruit blijkt dat hij harddrugs heeft uitgevoerd naar België.

Uit de getapte telefoongesprekken en sms’en blijkt dat de gebruikers nagenoeg alleen harddrugs bestelden. De door hen gebruikte afkortingen/benamingen voor de bestelde producten komen overeen met de in het proces-verbaal ‘Drugsbenamingen en prijzen’ gebruikte afkortingen en de lijst die is aangetroffen bij verdachte en uitsluitend ziet op verdovende middelen. Deze benamingen zijn door [medeverdachte 1] bij de politie op 24 februari 2016 bevestigd als zijnde namen voor verschillende soorten harddrugs. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] op 10 maart 2016 bij de politie verklaard dat het klopt dat de koeriers vaker naar België reden.

In een getapt gesprek op 11 december 2015 heeft [medeverdachte 2] tegen ‘ [naam 2] ’, verdachte, gezegd dat hij ritjes naar Antwerpen nu niet moet aannemen, omdat hij in zijn eentje rijdt. Hieruit kan afgeleid worden dat er al ritjes naar Antwerpen hebben plaatsgevonden. In datzelfde gesprek geeft [medeverdachte 2] aan dat ze de ritjes naar Den Haag, Rotterdam en Antwerpen erbij hebben genomen voor als het rustig is.

De koeriers haalden de door hen uit te voeren harddrugs bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] thuis op en kregen de klaargemaakte pakketjes van hen mee. Ook hielden zij onderling en met [medeverdachte 2] contact over de bestellingen en kregen zij telefoonnummers door.

Gelet op het vorenstaande is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om het medeplegen van de uitvoer van harddrugs naar België bewezen te kunnen verklaren.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de in feit 1 ten laste gelegde handelingen voor zover die zien op het middel GBL reeds omdat dit niet een middel is als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van de Opiumwet.

5.3.2

Ten aanzien van feit 2 en feit 4

[medeverdachte 1] heeft op 24 februari 2016 bij de politie verklaard dat hij enige jaren geleden bij [medeverdachte 3] een aantal pilletjes had gezien, dat [medeverdachte 3] hem over de drugshandel vertelde en dat hij zelf in december 2013 is begonnen met bezorgen van verdovende middelen voor [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] werd op 21 juli 2014 aangehouden wegens het aanwezig hebben van harddrugs, waaronder Crystal Methamfetamine.

[medeverdachte 1] heeft de handel in harddrugs in september 2014 hervat, en heeft vervolgens verdachte, zijn vader, en [medeverdachte 4] als koeriers ingeschakeld. De koeriers haalden de door hen af te leveren harddrugs op bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] thuis, waar deze klaarlagen. Na enige tijd op deze wijze gewerkt te hebben, is [medeverdachte 1] door [medeverdachte 3] in juni/juli 2015 geïntroduceerd bij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , de inpakkers, beheerders van de voorraad verdovende middelen en bewoners van de ‘stash house’ [adres 3] te Amsterdam.

Behalve de verklaring van [medeverdachte 1] die doet vermoeden dat verdachte reeds in september 2014 was begonnen met koerieren, zijn er ook getuigenverklaringen die een langere periode als koerier ondersteunen dan door verdachte wordt toegegeven. Zo heeft getuige [persoon 1] op 23 februari 2016 bij de politie verklaard gedurende een jaar of anderhalf jaar lang, bijna wekelijks zijn harddrugs bij [naam 2] te bestellen en heeft hij verdachte van een foto herkend als zijnde [naam 2] . Bij de rechter-commissaris heeft hij op 28 oktober 2016 verklaard dat de eerste keer dat hij drugs bestelde bij verdachte tussen kerst en oud en nieuw was, in de overgang van 2014 naar 2015, en dat de periode iets langer dan een jaar was.

Getuige [persoon 2] heeft op 25 februari 2016 bij de politie verklaard dat hij al gedurende ongeveer twee jaar, ongeveer één keer in de drie à vier maanden, bij [naam 2] , [naam 1] of [bijnaam persoon 1] harddrugs koopt. Hij heeft verdachte van een foto herkend als zijnde [naam 2] , die vier of vijf keer met zijn auto drugs bij hem heeft gebracht. Op 2 november 2016 heeft [persoon 2] bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte eerder tien keer dan vijf keer aan hem drugs heeft geleverd.

De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de getuigen. De verklaring van verdachte anderzijds, dat hij slechts gedurende vier maanden als koerier heeft gefungeerd, is niet aannemelijk. Dit zou immers betekenen dat hij vlak vóór de technische acties op de telefoons zou zijn begonnen met deze activiteiten. Dit strookt echter niet met de inhoud van de getapte gesprekken, die erop duiden dat verdachte al veel langer actief was richting meerdere afnemers.

Op basis van genoemde bewijsmiddelen is er voldoende wettig, maar ook overtuigend bewijs dat verdachte zich gedurende de gehele tenlastegelegde periode heeft beziggehouden met de hem verweten gedragingen.

De handel in verdovende middelen ziet bij verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] op het in vereniging verstrekken van harddrugs aan de kopers, waarbij de feitelijke levering werd verzorgd door verdachte en [medeverdachte 4] . Verdachte en [medeverdachte 4] haalden de te verhandelen drugs op bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] thuis. [medeverdachte 1] ontving de drugs aanvankelijk van [medeverdachte 3] en vanaf zijn introductie bij [adres 3] haalde hij ze op bij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . De verdovende middelen werden volgens [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] in de meeste gevallen door [medeverdachte 3] naar hun woning gebracht.

Op 25 en 26 januari 2016 hebben gesprekken plaatsgevonden die hebben geleid tot de observatie op 26 januari 2016 bij de woning van [medeverdachte 3] . Ook uit de onderzoeksbevindingen kan worden afgeleid dat [medeverdachte 3] degene is die de verdovende middelen inkocht en dat [medeverdachte 1] die afzette bij de koeriers, verdachte en [medeverdachte 4] .

Uit deze getapte gesprekken kan bovendien afgeleid worden dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] samen beslissen dat [medeverdachte 3] nieuwe Crystal Methamfetamine zal kopen en dat vervolgens op 26 januari 2016 door [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 3] nieuwe Crystal Meth wordt geleverd. Het bezoek door [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 3] wordt door de politie geobserveerd. Kort daarna rijdt [medeverdachte 3] naar [adres 3] , en zeer kort daarna verschijnen berichten aan de koeriers dat er nieuwe ‘T’ is die opgehaald kan worden. [medeverdachte 5] heeft hierover verklaard dat [medeverdachte 3] eind januari fijne ‘T’ heeft gebracht in twee bakken van 500 gram en dat het bakje waar “Nieuw” op staat fijne ‘T’ bevat. ‘T’ is een benaming voor Crystal Methamfetamine. Bij de doorzoeking op 23 februari 2016 op [adres 3] zijn twee bakjes met de opschrift ‘500’ inbeslaggenomen. Na onderzoek bleek daar daadwerkelijk Crystal Methamfetamine in te zitten.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , welke samenwerking was gericht op zowel de handel in als het bezit van harddrugs en die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, zoals hierboven is uiteengezet.

Vastgesteld kan worden dat verdachte vanaf het begin van de tenlastegelegde periode, te weten 1 januari 2015, tot aan zijn aanhouding op 23 februari 2016 samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] heeft gehandeld in harddrugs. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] werden daar vanaf april 2015 medeplegers van, toen zij begonnen te helpen met het inpakken van drugs. Daarbij hebben zij ieder een eigen rol gehad terwijl die rol paste binnen de handel in verdovende middelen en het daarmee gepaard gaande vervoer en bezit van die middelen.

Verdachte was behalve medepleger van de handel in de harddrugs ook medepleger van het aanwezig hebben en vervoer daarvan, namelijk van de door hem verhandelde hoeveelheden harddrugs. Hij is niet als medepleger te beschouwen van de op 23 februari 2016 in de woning van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen.

De rechtbank zal verdachte daarbij vrijspreken van de in feit 2 ten laste gelegde handelingen voor zover die zien op het middel GBL nu dit niet een middel is als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorts is aan de orde of ook sprake is van deelname aan een criminele organisatie. Onder organisatie, als bedoeld in artikel 11b Opiumwet wordt verstaan een samenwerkingsverband van tenminste drie personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat komt vast te staan dat de verdachte heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van een concreet misdrijf.

Gelet op de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor de overige bewezenverklaarde feiten, alsmede op wat hierna wordt overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

Duurzaamheid, structuur en oogmerk:

De eerdergenoemde samenwerking had een duurzaam karakter en was gestructureerd van aard. [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] woonden in dezelfde flat. Verdachte is de vader van [medeverdachte 1] en de schoonvader van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] waren al dertig jaar goede vrienden met [medeverdachte 3] . Zij hadden vanaf het begin ieder hun eigen taken, gericht op de handel in harddrugs, die zij in samenwerkingsverband gedurende ongeveer een jaar lang uitvoerden. [medeverdachte 3] zorgde voor de inkoop en bevoorrading, [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] hielden met behulp van een boekhouding op de computer de voorraden bij en verpakten de drugs in voor verkoop geschikte eenheden, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zorgden voor de verkooporganisatie, waarbij [medeverdachte 1] ook regelmatig drugs ophaalde op [adres 3] , en verdachte en [medeverdachte 4] vervulden de koeriersrollen. [medeverdachte 2] noemde de koeriers ‘mijn jongens’. Tijdens vakantie werden de koeriers onderling vervangen. [medeverdachte 3] had de telefoonnummers van de koeriers op een briefje in huis. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] hebben verklaard dat ze door middel van de boekhouding op de computer de hoeveelheden en geldwaarde van de verschillende drugs die binnengebracht en weggehaald werden, konden bijhouden. Dit deden ze naar eigen zeggen in opdracht van [medeverdachte 3] , kennelijk ten behoeve van de financiële afrekening tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Zij kregen ook een weegschaal en instructies van [medeverdachte 3] , zodat ze hun taken konden uitvoeren.

Er was hiermee sprake van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en van een gestructureerde rolverdeling. De organisatie had tot oogmerk de handel in en het bezit van harddrugs en de verschillende daarmee samenhangende en voor de drugshandel wezenlijke werkzaamheden. Bovengenoemde personen kunnen daarom worden gezien als deelnemers van een criminele organisatie die het plegen van drugsdelicten, mede omvattend het buiten het grondgebied van Nederland brengen, tot oogmerk had.

Nu niet is gebleken van het oogmerk van de organisatie op misdrijven als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, acht de rechtbank dat gedeelte van de tenlastelegging niet bewezen en zal verdachte van dat deel van het onder 4 tenlastegelegde vrijgesproken worden.

De rechtbank gaat daarmee voorbij aan het verweer van de raadsman dat verdachte geen opzet had op de deelneming aan een criminele organisatie. Zoals uiteengezet heeft hij er gedurende ruim één jaar daadwerkelijk aan deelgenomen, waarbij hij met volle medeweten door middel van actief koerierswerk een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de werkzaamheden. De verklaring van verdachte, dat hij ondanks zijn feitelijke deelname en bijdrage een geheel andere intentie had, wordt op geen enkele wijze ondersteund in het dossier, en is volgens de rechtbank ook onaannemelijk, aangezien verdachte gedurende ongeveer een jaar geen blijk heeft gegeven van een dergelijke intentie.

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten, voor de gehele tenlastegelegde periode, waarbij verdachte partieel wordt vrijgesproken van de feiten 2 en 4, zoals hierboven is overwogen.

5.3.3

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 23 februari 2016 910 ml GHB aanwezig heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft begaan en zal verdachte van het ten laste gelegde medeplegen vrijspreken.

5.3.4

Ten aanzien van feit 5, eerste en tweede cumulatief/alternatief

Beoordelingskader witwassen

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel .afkomstig uit enig misdrijf’, opgenomen in de delictsomschrijvingen van de artikelen 420bis en 420quater, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffend geldbedrag afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van deze wetsartikelen vereist dat vaststaat dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een geldbedrag ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geldbedrag.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De rechtbank zal het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Vermoeden van witwassen

De rechtbank leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen af dat op 23 februari 2016 bij de doorzoeking in de woning van verdachte op het adres [adres 1] te Amsterdam in de slaapkamer van verdachte geldbedragen van in totaal € 6.140,37 zijn aangetroffen en inbeslaggenomen.

De rechtbank overweegt dat het aangetroffen geldbedrag niet in verhouding staat tot het bij de Belastingdienst bekende legale inkomen en vermogen van verdachte over de periode 2009 tot en met 2015.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.

Verklaring herkomst geld

Verdachte heeft over de herkomst van het geldbedrag ter terechtzitting verklaard dat € 2.500,- spaargeld betreft en dat de rest (de rechtbank begrijpt: € 3.640,37) drugsgeld is.

Gelet hierop kan in ieder geval vastgesteld worden dat een bedrag van € 3.640,37 afkomstig is van eigen misdrijf van verdachte.

Omtrent het bedrag van € 2.500,- overweegt de rechtbank als volgt. Dit geldbedrag is, samen met - en niet als afzonderlijk te onderscheiden van - het door verdachte zelf vermelde drugsgeld in de slaapkamer van verdachte gevonden. Daar zat niet een aparte enveloppe bij met een bedrag van € 2.500,-. De enkele verklaring dat het spaargeld betreft, beschouwt de rechtbank niet aannemelijk en, mede gelet op de omstandigheden waaronder de bedragen zijn aangetroffen en de omvang van die bedragen, niet als een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring.

Dat betekent dat - bij gebreke van een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring omtrent de legale herkomst van het geldbedrag van in totaal € 2.500,- dat is aangetroffen in de slaapkamer van verdachte - het niet anders kan dan dat ook dit geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte daarvan wetenschap heeft gehad.

Geen ‘verhullen en verbergen’ in de zin van 420bis, lid 1, onder a

Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, hebben ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op - onder andere - de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. Van ‘verhullen’ zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236).

In het onderhavige geval is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het door verdachte in zijn woning in zijn slaapkamer bewaren van geldbedragen die afkomstig zijn van door hemzelf gepleegde misdrijven, zoals hier het geval is, niet aangemerkt kan worden als een verhullingshandeling in de zin van artikel 420bis, lid 1, onder a van het Wetboek van Strafrecht.

Dat brengt met zich dat het onder 5, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. Wel kan het onder 5, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde worden bewezen, namelijk dat verdachte een bedrag van € 6.140,37 heeft witgewassen (artikel 420bis Sr), door dit geldbedrag voorhanden te hebben (lid 1 onder b).

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft begaan en zal verdachte van het ten laste gelegde medeplegen vrijspreken.

5.3.5

Conclusie

Verdachte wordt vrijgesproken van feit 5, eerste cumulatief/alternatief en partieel vrijgesproken van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5, tweede cumulatief/alternatief. De feiten 1, 2, 3, 4 en 5, tweede cumulatief/alternatief worden voor het overige bewezen verklaard.

6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten bewezen zoals die in de bewezenverklaring zijn opgenomen.

De bewezenverklaring is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 Het bewijs

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte de bewezen geachte feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Het overzicht van de bewijsmiddelen is als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

8 De strafbaarheid van de feiten

De rechtbank acht het onder 5, tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde niet strafbaar en overweegt het volgende.

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655 het volgende overwogen. Ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, kan de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht “om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen”. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 8 januari 2013, LJN BX6910, NJ 2013/266 het volgende toegevoegd.

Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat “indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd”. Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. De Hoge Raad heeft deze overweging in zijn arrest van 13 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2842) herhaald.

De automatische verdubbeling van strafbaarheid - die als ratio van de kwalificatie-uitsluitingsgrond kan worden gezien (‘zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen’) - is in de onderhavige zaak aan de orde nu het gronddelict eveneens is ten laste gelegd, voldoende geduid en bewezen verklaard (onder 2 en 4) en het bij het onderhavige feit enkel om het voorhanden hebben van een geldbedrag gaat. Zodoende is er een grondslag voor toepassing van de kwalificatieuitsluitingsgrond.

Verdachte dient dan ook ter zake van het onder 5, tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ten aanzien van deze feiten niet aannemelijk geworden.

9 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 De strafmotivering

10.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft tevens de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd.

Daarbij heeft de officier van justitie de ernst van de feiten benadrukt en het verdachte kwalijk genomen dat hij gedurende lange tijd samen met anderen in georganiseerd verband heeft bijgedragen aan de verkoop van harddrugs en dat hij zich daarbij heeft laten leiden door zijn eigen belangen en het eigen geldelijk gewin, en de gevaren die dat met zich meebracht voor de volksgezondheid volkomen heeft genegeerd.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen met daarnaast een lange voorwaardelijke straf met een langere proeftijd dan gebruikelijk en een maximale taakstraf. Voorts heeft de raadsman verzocht om de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af te wijzen, nu het meteen weer vastzetten van verdachte geen enkel doel zou dienen.

Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte het laakbare van zijn handelingen inziet, dat hij first offender is, dat hij zowel betaald als op vrijwillige basis werkt en dat hij in behandeling is in verband met depressiviteitsklachten en dus hulp zoekt indien nodig. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte de zorg heeft voor zijn zwaar autistische zoon, dat hij dagelijks zijn ouders helpt en dat het recidiverisico laag is, zoals ook door de reclassering is ingeschat.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met zes anderen gedurende een periode van ruim een jaar in georganiseerd verband gedeald in verschillende soorten harddrugs, zoals Crystal Methamfetamine, cocaïne, amfetamine, Mephedrone, MDMA, XTC en GHB.

De deelnemers hadden ieder hun eigen rol en taakverdeling binnen de criminele organisatie. De zoon van verdachte was afzetter van de verhandelde harddrugs, daarbij geholpen door diens partner, een buurman van zijn zoon was de leverancier daarvan, twee andere medeverdachten deden het inpakwerk en verdachte bediende samen met een andere koerier de afnemers/gebruikers. Zij voorzagen op deze wijze een klantenkring van ruim 200 klanten van vele soorten harddrugs, waaronder het uiterst verslavende en gevaarlijke Crystal Methamfetamine. In de woning van verdachte is GHB aangetroffen. De op 23 februari 2016 aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen in de “stash house” wordt niet aan verdachte toegerekend.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Verdachte heeft met zijn gedragingen zijn eigen financieel gewin boven de veiligheid van heel veel mensen gesteld.

Daarnaast gaat de handel in harddrugs gepaard met overlast in de samenleving. Het gebruik van harddrugs genereert op zijn beurt strafbare feiten. Verdachte heeft hierdoor de maatschappij bewust aan deze risico’s blootgesteld.

Criminele organisaties ondermijnen voorts de rechtsorde, veroorzaken maatschappelijke onrust en berokkenen de maatschappij financieel nadeel. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten veel geld oplevert aan alle personen die zitten in de lijn van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker. De gebruiker kóst het alleen maar geld en zijn of haar gezondheid.

Ook heeft verdachte samen met anderen Crystal Methamfetamine geëxporteerd naar België en op die manier de handel in verdovende middelen in het buitenland in stand gehouden.

De rechtbank is van oordeel dat deze feiten zo ernstig zijn, zij een zodanige impact op de samenleving hebben en de rol van verdachte daarin zo wezenlijk is geweest, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan die welke verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, gerechtvaardigd is. De door de raadsman voorgestelde straf zou geen recht doen aan de ernst, intensiteit en duur van de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank neemt ten voordele van verdachte in aanmerking dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest, dat hij hulp voor zijn problemen heeft gezocht en aanvaard, zoals blijkt uit het behandelplan van de psychiater, en dat hij in enige mate openheid van zaken heeft gegeven. Voorts betrekt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat de omstandigheid dat verdachte de dagelijkse zorg voor zijn autistische zoon draagt.

In het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een kortere gevangenisstraf op te leggen dan geëist door de officier van justitie. De rechtbank volstaat met het opleggen aan verdachte van een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank acht het passend en geboden om daarnaast een taakstraf van 240 uren aan verdachte op te leggen.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis toe te wijzen en wijst deze vordering derhalve af.

11 Het beslag

Onder verdachte is een aantal voorwerpen in beslag genomen. De rechtbank moet een beslissing nemen met betrekking tot deze voorwerpen, die staan vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen. Deze beslaglijst is als bijlage 4 aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

11.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 2, 7, 8, 9, 10 en 11 genoemde geldbedragen verbeurdverklaard dienen te worden en dat de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen terug kunnen naar de beslagene, te weten verdachte.

11.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de op de beslaglijst genoemde geldbedragen en voorwerpen geretourneerd dienen te worden aan verdachte.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de onder 2, 7, 8, 9, 10 en 11 genoemde geldbedragen verbeurdverklaard dienen te worden, aangezien deze geldbedragen door middel van het onder 1, 2 en 4 bewezen geachte zijn verkregen.

De voorwerpen genoemd onder 12, 13, 14, 15 en 16 kunnen teruggegeven worden aan verdachte.

Deze beslissingen laten uiteraard onverlet dat op een aantal voorwerpen conservatoir beslag is gelegd.

12 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van de bewezen geachte feiten.

13 De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:

Verklaart het onder 5, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals in bijlage 2 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen geachte:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 3 bewezen geachte:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 4 bewezen geachte:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde en vijfde lid, van de Opiumwet;

Ten aanzien van het onder 5, tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte:

witwassen.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Verklaart het onder 5, tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

Wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Verklaart verbeurd: de op de beslaglijst onder 2, 7, 8, 9, 10 en 11 genoemde voorwerpen.

Gelast de teruggave aan veroordeelde van: de op de beslaglijst onder 12, 13, 14, 15 en 16 genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. C. Klomp en M.E.B. Nyman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 mei 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature