Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Sylvana Simons-zaak, veroordeling voor groepsbelediging.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/659357-16 (Promis)

Datum uitspraak: 18 mei 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 13 april 2017. Op 8 mei 2017 is het onderzoek op de terechtzitting formeel gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. A.J.M. Vreekamp en P.C. Velleman (hierna steeds gezamenlijk aangeduid als: officier van justitie), en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Inleiding

Naar aanleiding van de aangifte op 31 mei 2016 van [slachtoffer] van racisme, seksisme, haatzaaierij en bedreiging in berichten aan en over haar is onder leiding van het Openbaar Ministerie (OM) het onderzoek 13Panchax gestart. Op 16 december 2016 heeft [slachtoffer] nog een aangifte gedaan in verband met dit onderzoek.

Verdachte is één van de 22 personen in het onderzoek 13Panchax waarvan het OM tot nu toe tot vervolging heeft besloten. Elk van de 22 zaken staat op zich, maar de aanleiding is dezelfde.

Aangeefster [slachtoffer] verklaart kort gezegd dat zij vooral na een aantal televisie uitzendingen, waaronder die op 13 mei 2015 en 18 mei 2016 toen zij te gast was bij het programma ‘De Wereld Draait Door’, is geconfronteerd met een zeer grote hoeveelheid op haar persoon gerichte negatieve uitingen op internet, social media en televisie. Volgens aangeefster is dit structureel van aard sinds mei 2015 en is in haar woorden ‘de hel losgebarsten’ sinds de uitzending in mei 2016, waarin onder meer haar toetreding tot de politieke partij DENK ter sprake is geweest. Zij geeft aan dat het haar steeds persoonlijker, ook zakelijk, raakt en zij zich zeer bedreigd voelt mede vanwege de massaliteit en de inhoud van de uitingen. Aangeefster heeft materiaal dat voor een deel door haarzelf en voor een deel door anderen is verzameld aan de politie ter beschikking gesteld. Dit materiaal is onderzocht en geprobeerd is de identiteit te achterhalen van de personen die berichten hebben geplaatst.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting uitgelegd hoe het OM tot de vervolging van juist deze 22 personen, waaronder verdachte, is gekomen. De basis voor het politie onderzoek is het door aangeefster [slachtoffer] overhandigde materiaal. Dit betreffen uitlatingen die aangeefster als het meest ernstig ervaart. Het OM heeft het materiaal geselecteerd aan de hand van de criteria: strafwaardigheid van de uitlating, bevat een uitlating een racistische – , discriminerende, beledigende en/of geweldscomponent. Vervolgens is geprobeerd om de personen die de geselecteerde uitlatingen hebben gedaan, te identificeren. Dit heeft in eerste instantie geleid tot het besluit twintig personen te vervolgen. Na een tweede aangifte van [slachtoffer] op 16 december 2016 zijn nog twee personen als verdachten aangemerkt en vervolgd.

Het OM heeft deze 22 zaken gelijktijdig aangebracht bij de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft de zaken gedeeltelijk gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld. De 22 verdachten zijn geen medeverdachten van elkaar. Elke zaak wordt door de rechtbank op zichzelf beoordeeld en in elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

3 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2014 tot en met 17 februari 2017 te Diemen en/of Amsterdam en/of Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten negroïde personen, wegens hun ras, door (middels een facebookaccount “ [verdachte] ”) een bericht op facebook te plaatsen/delen met de inhoud: “Als al die apekoppen het hier zo erg vinden, laten ze dan oprotten naar een land waar ze qua kleur niet opvallen”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

4 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

Ten aanzien van de tenlastegelegde periode geeft de officier van justitie aan dat de ruime periode van 7 oktober 2014 tot en met 17 februari 2017 is gekozen omdat het technisch niet mogelijk is te achterhalen wanneer precies het bericht is geplaatst. Wel is duidelijk dat de vele negatieve reacties op aangeefster [slachtoffer] die aanleiding waren voor het onderzoek 13Panchax verband houden met de actieve deelname van aangeefster [slachtoffer] aan de zogenoemde ‘Zwarte Pietendiscussie’. De eerste keer dat aangeefster zich hier in het openbaar over heeft uitgelaten is op 7 oktober 2014 geweest. Het bericht moet daarom na deze datum zijn geplaatst, aldus de officier van justitie. Op 17 februari 2017 is verdachte door de politie verhoord.

5.2.

Standpunt van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij de uitlating heeft geplaatst en dat hij deze beledigend vindt.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bekend dat hij het bericht heeft geplaatst. Uit het dossier volgt dat dit bericht door aangeefster aan de politie is overhandigd bij haar aangifte op 31 mei 2016 zodat de periode wordt verkort tot deze datum.

Verdachte heeft op Facebook het bericht “Als al die apekoppen het hier zo erg vinden, laten ze dan oprotten naar een land waar ze qua kleur niet opvallen” geplaatst en gedeeld. Een op Facebook geplaatst bericht moet worden aangemerkt als een geschrift. Gelet op de verklaring van verdachte op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat aan de vereisten van openbaarheid en opzet op de openbaarheid is voldaan.

Verdachte gebruikt in zijn bericht de woorden ‘al die apekoppen’. Hij heeft niet willen verklaren wie hij daarmee heeft bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze woorden niet anders worden uitgelegd dan als betrekking hebbend op personen met een donkere huidskleur. Dit ook omdat verdachte in zijn uitlating eraan heeft toegevoegd “(…) waar ze qua kleur niet opvallen (cursief rechtbank)”.

Het voorgaande in onderlinge samenhang beziend is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten negroïde personen, wegens hun ras.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de uitlating op zichzelf een beledigend karakter heeft. De term ‘apekoppen’ is een laatdunkende manier van spreken over negroïde personen. Vervolgens laat verdachte in zijn uitlating weten dat deze groep wat hem betreft niet welkom is in Nederland. Het woord ‘oprotten’ laat daar geen twijfel over bestaan. Daarmee heeft de uitlating van verdachte de strekking om de groep negroïde personen bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen. Er zijn geen omstandigheden (zoals publiek debat, geloofsovertuiging of artistieke expressie) gebleken die maken dat de context waarin de uitlating is gedaan, het beledigende karakter van de uitlating wegneemt. Tot slot is ook voldaan aan het vereiste dat het opzet van verdachte gericht is geweest op het beledigende karakter van de uitlating. In ieder geval, zo is de rechtbank van oordeel, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn uitlating een beledigend karakter draagt.

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit, groepsbelediging, wettig en overtuigend is bewezen.

5.4.

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 13 april 2017.

Deze verklaring houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

U houdt mij de beschuldiging voor en vraagt mij naar de aanleiding. Ik heb het in een opwelling geplaatst, uit boosheid. Het zijn inderdaad stevige bewoordingen, die kunnen niet door de beugel. (…) Ik vind de uitlating die ik heb gedaan wel beledigend.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer [nummer] van 20 juni 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 1] en [naam 2] (dossierpagina’s C16 002 – 008).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 31 mei 2016 deed [slachtoffer] aangifte ter zake van belediging en aanzetten tot haat/geweld. Aangeefster [slachtoffer] voegde meerdere bijlagen voorzien van de gedane uitlatingen bij de aangifte. Wij zagen een bijlage met de volgende uitlating: “Als al die apekoppen het hier zo erg vinden, laten ze dan oprotten naar een land waar ze qua kleur niet opvallen”. Dit bericht werd op Facebook geplaatst door een persoon die gebruikmaakte van de profielnaam: “ [verdachte] ”.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5.4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op een tijdstip gelegen in de periode van 7 oktober 2014 tot en met 31 mei 2016 in Nederland, zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten negroide personen, wegens hun ras, door middels Facebookaccount “ [verdachte] ” een bericht op Facebook te plaatsen en te delen met de inhoud: “Als al die apekoppen het hier zo erg vinden, laten ze dan oprotten naar een land waar ze qua kleur niet opvallen”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 Strafbaarheid van het feit

De rechtbank zal moeten toetsen of een veroordeling is toegestaan, omdat dit een beperking inhoudt van de vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De vrijheid van meningsuiting is één van de belangrijkste fundamenten van een democratische rechtsstaat en gaat dan ook niet alleen op voor opvattingen die in de samenleving op breed draagvlak kunnen rekenen, maar ook, juist, voor die opvattingen die shockeren, kwetsen of verontrusten (EHRM 7 december 1976, NJ 1978/236 (Handyside)).

Artikel 10 lid 2 EVRM bevat de voorwaarden waaronder de vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt. Artikel 137c Sr is een bij wet voorziene beperking, welke beperking een geoorloofd doel dient, te weten het belang van non-discriminatie volgens de beginselen van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. De uitlating van verdachte kan niet worden beschouwd als bijdrage aan een maatschappelijk debat. Hij heeft zich via Facebook op een laatdunkende manier uitgelaten over een groep mensen wegens hun ras. Ter zitting heeft verdachte (in lijn met zijn eerdere verklaring ten overstaan van de politie) verklaard dat hij het bericht in een opwelling heeft geplaatst naar aanleiding van de demonstratie van tegenhangers van Zwarte Piet tijdens de Sinterklaasintocht in november 2015, ten overstaan van kinderen. De rechtbank merkt hierover op dat het zo kan zijn dat verdachte het niet eens is of was met die demonstratie juist op dat moment ten overstaan van kinderen, maar dat dat op zichzelf nog geen vrijbrief vormt om een bericht zoals door hem geplaatst op het internet te zetten. Enige inhoudelijke bijdrage aan een discussie over dit onderwerp is in de woorden die verdachte heeft gebruikt niet te ontdekken. Verdachte ziet dit zelf ook wel in blijkens zijn verklaring. Hij vindt immers ook dat deze bewoordingen niet door de beugel kunnen.

De rechtbank constateert dat veel mensen online kennelijk gemakkelijker over de schreef gaan dan in het ‘normale leven’. Ook voor uitlatingen die op internet worden gedaan gelden de hiervoor omschreven kaders van de vrijheid van meningsuiting.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de grens van het toelaatbare heeft overschreden. Dit maakt dat er een dwingende maatschappelijke noodzaak bestaat om verdachte in zijn recht op vrijheid van meningsuiting te beperken. Er is geen minder ingrijpend middel denkbaar om dat doel (het voorkomen van strafbare feiten) te bereiken.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat een veroordeling van verdachte in dit geval een geoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting betreft en het bewezen geachte feit strafbaar is. Het bestaan van een rechtvaardigheidsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hen bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes dagen.

9.2.

Standpunt van verdachte

Verdachte heeft aangegeven een boete niet te kunnen betalen en dat een taakstraf zijn voorkeur zou hebben.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De zaak van verdachte maakt deel uit van een niet alledaags proces. In de eerste plaats is dat vanwege de wijze waarop de zaken aan de rechtbank zijn voorgelegd. De zaak van iedere verdachte zou normaal gesproken afzonderlijk bij de politierechter worden aangebracht, in de regel in het arrondissement waar verdachte woont. In dit proces zijn alle zaken aangebracht voor de meervoudige kamer van de rechtbank in Amsterdam. Alle 22 zaken worden min of meer gelijktijdig behandeld. Deze aanpak staat het OM vrij, maar het gevolg hiervan is dat de behandeling van de zaak meer impact op verdachte heeft dan wanneer de zaak door de politierechter in het eigen arrondissement was afgedaan. Verdachte heeft hier niet voor gekozen. Daar komt bij dat verdachte nu bij een strafoplegging een veroordeling door de meervoudige kamer op zijn strafblad heeft staan in plaats van een veroordeling door de politierechter. Dat kan voor een verdachte relevant zijn.

Het volgende aspect hangt met het vorige samen: de royale aandacht van de media. Zowel voorafgaand als tijdens het proces hebben verschillende media aandacht besteed aan de zaak. Verschillende verdachten en/of hun raadslieden zijn door media benaderd. Hoewel de media-aandacht zonder meer begrijpelijk is, is dat iets waar de verdachten – over het algemeen – niet op zaten te wachten. De impact van de zaak en de bijbehorende media-aandacht zijn voor de rechtbank aanleiding om de op te leggen straf enigszins te matigen. De rechtbank zal daarbij onderscheid maken tussen verdachten die op de terechtzitting zijn verschenen – en daarmee verantwoordelijkheid hebben genomen – en verdachten die ervoor hebben gekozen om niet te verschijnen. Voor de laatste groep is de impact immers kleiner dan voor de eerste.

Er zijn veel meer reacties aan het adres van aangeefster geweest dan dat er verdachten worden vervolgd. Naar het oordeel van de rechtbank was dit niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel, maar dat wil niet zeggen dat dit geen betekenis zou moeten hebben voor de op te leggen straf. Het is een feit dat veel anderen dan de 22 verdachten mogelijk strafbare uitlatingen hebben gedaan op social media, maar hiervoor niet bij de rechter ter verantwoording worden geroepen. De rechtbank kan zich voorstellen dat de verdachten die wel worden vervolgd zich enigszins ‘kop van jut’ voelen. Wat dit betreft hecht de rechtbank eraan om – misschien ten overvloede - op te merken dat iedere verdachte alleen terecht staat voor de uitlating die hij of zij zelf heeft gedaan. Voor de omstandigheid dat er mogelijk duizenden berichten hebben gecirculeerd waarin anderen aangeefster [slachtoffer] onheus hebben bejegend geldt hetzelfde.

Tenslotte hecht de rechtbank eraan om een opmerking te maken over de vrijheid van meningsuiting. Een aantal verdachten heeft aangegeven van die vrijheid gebruik te hebben gemaakt en dat daarom een straf niet op zijn plaats is. De rechtbank heeft hiervoor al uiteengezet waarom zij van oordeel is dat verdachte die vrijheid niet binnen de daarvoor gestelde kaders heeft gebruikt en mogen gebruiken. Simpel gezegd verdient verdachte daarom een straf. Enerzijds is de oplegging van een straf bedoeld om aan verdachte duidelijk te maken dat hij te ver is gegaan en dat hij in het vervolg binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting dient te blijven. Anderzijds is het de hoop van de rechtbank dat de oplegging van straffen aan deze verdachten duidelijk maakt aan de maatschappij dat de vrijheid van meningsuiting grenzen kent en dat het overschrijden van die grenzen consequenties heeft. Je mening geven mag, die vrijheid is groot, zeker als die past in een maatschappelijk debat. Maar wanneer deze mening een belediging, bedreiging, opruiing of discriminatie betreft, is er sprake van strafbaar gedrag.

Tenslotte is het de vraag wat het voorgaande betekent voor de straf die verdachte krijgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een groep mensen wegens hun donkere huidskleur. Hij heeft deze groep als minderwaardig aangemerkt, door aan te geven dat negroïde mensen uit Nederland dienen te vertrekken. De rechtbank is van oordeel dat voor dergelijke uitlatingen geen plaats is in onze maatschappij, waar gelijkheid tussen alle mensen één van de kernwaarden is.

De rechtbank neemt een geldboete van € 450,00 euro als uitgangspunt voor groepsbelediging. Verdachte heeft echter zijn verantwoordelijkheid genomen door op de terechtzitting te verschijnen. Daarnaast heeft hij spijt betuigd. De rechtbank houdt er tenslotte rekening mee dat verdachte het financieel niet breed heeft. Daarom zal de op te leggen boete, gelijk aan de eis van de officier van justitie, worden gematigd tot een bedrag van € 300,00 en mag verdachte deze in zes termijnen betalen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24a, 24c en 137c van het Wetboek van Strafrecht .

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras’.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 300,00 (zegge: driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes (6) dagen.

Bepaalt dat de geldboete in zes (6) maandelijkse termijnen van elk € 50,00 (zegge: vijftig euro) kan worden voldaan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en L.R. Wisse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature